Een brief is, in zekere zin, altijd in de tegenwoordige tijd geschreven; het is een directe indruk van een moment in de tijd, zonder de luxe van een bredere context. Brieven zijn inherent grillig, samengesteld uit ruwe gedachten en ongefilterde reflecties, waarbij geen aandacht wordt besteed aan “leesbaarheid”. Een brief meandert door uitweidingen en toevoegingen en weerspiegelt de stroom van bewustzijn die onze dagelijkse gedachten plaagt. Het ongrijpbare karakter van de vorm is de charme ervan, omdat het communicatie emotioneel in plaats van rationeel sorteert en fragmenteert.
Ironisch genoeg staan brieven in films quasi haaks op deze gedachte. Ze leunen dichter aan bij de briefroman, waarin brieven in de eerste plaats dienen als narratief middel om feiten en motieven duidelijk weer te geven. Brieven in films zijn net als elk ander middel binnen de filmische vertelkunst: geabstraheerd en gecompartimenteerd, functioneel en nauwkeurig. In films van Lubitsches Gouden Eeuw-romances tot de Oscarwinnaars van Spielberg, zijn ze een effectief middel om de plot en de psychologie over te brengen. Filmbrieven daarentegen verschijnen slechts af en toe in wat eufemistisch “radicale” of “outsider”-cinema wordt genoemd. Het lijkt bijna alsof hun bestaan op zich een belediging is voor de filmgrammatica.