Maar dan trekken dromerige fluittonen zijn aandacht. De visser is getuige van een prachtig schouwspel. De vuurrode achtergrond gaat over in een blauw dat door het maanlicht verlicht lijkt. Zo introduceert Servais nadrukkelijk een tegengestelde alternatieve wereld, waarin net als in zijn Gouden Palmwinnaar Harpya (1979) een hybride mythisch wezen haar tegenspeler betovert. Een scheepsjongen, bewust met zachte lijnen getekend, bespeelt een dwarsfluit om zijn geliefde tot leven te wekken. Volgens de legende lokt de bloedmooie maar duivelse sirene scheepslui naar de bodem van de zee. Daarvan is hier geen sprake. Ze zorgt voor de wind in zijn zeilen, voor een uitweg uit deze helse stad.Tot de mechanische aasgieren die de haven bewaken wakker schieten. De wereld kleurt weer donkerrood en vol suspense wordt toegewerkt naar het moment dat de zeemeermin in de grijpgrage bek van een kraan belandt, en te pletter stort. Een ander soort aasgier dient zich aan: een leger aan agenten, onderzoekers, fotografen en wetsdokters snelt ter plekke.
In deze centrale scène komt het meesterschap van Servais het beste tot uiting. De ritmische spelletjes met vorm lijken spontaan en haast organisch, maar besef goed: zelfs de kleinste beweging in animatie is weloverwogen. Bijna ieder frame maakt deel uit van een inventieve transformatie. De in het zwart gehulde, skeletachtige mannen versmelten steeds weer en vormen zo één entiteit. We herkennen dat motief van uniformiteit van Servais’ vorige tekenfilm, Chromophobia (1966), waarin soldaten samen één onverzettelijk blok vormen, en hij gebruikt het opnieuw in To Speak or Not to Speak (1970).
Deze versmelting is meer dan een vormspel. Het is ook het thematiseren van ‘the powers that be’. Hoewel de scène vol humor zit, is ze ook een aanklacht tegen onrecht (de willekeurige arrestatie van de visser), hebzucht (de zoölogen en lijkschouwers hakken de sirene nog liever in twee dan haar aan de andere partij te geven) en opschepperij (de rechercheurs gaan met de dode sirene op de foto). Door het kluitje mannen te vergelijken met een dinosauriër, drijft Servais de spot met het behoudsgezinde patriarchaat.
Servais staat bekend om de diversiteit van zijn stijlen en technieken, maar inhoudelijk zien we meer eenheid. Zijn werk is vaak een aanklacht tegen materialisme of onrecht, en een ode aan vrede, of in dit geval liefde. Net als in De Valse Noot (1963), Chromophobia en To Speak or Not to Speak verbeeldt de kunstenaar hier een dystopie waar een kleurrijke enkeling dankzij zijn idealen een verschil maakt. De scheepsjongen volhardt in zijn muziekspel en blijft zo verbonden met de sirene, van wie nog slechts een krijtlijn overblijft.
Servais kiest in Sirène resoluut voor magie als tegengif voor de gemechaniseerde maatschappij. Het decor kleurt opnieuw blauw. De maan werpt een magisch licht op de schaduw van het koppel, waarna het hand in hand ten hemel vaart. Is er een mooier ideaal dan de liefde?