Dat ankerpunt vinden we bij een van de jongens. Hij valt al in de eerste scène op: als enige achterop de fiets bij iemand anders, met zijn neus in het scherm van zijn Gameboy. Daar speelt hij later op de steiger nog steeds mee; met opgetrokken knieën en al zijn kleren nog aan. Hij is de laatste die in het water springt en doet dit niet plonzend en pronkerig zoals de anderen, maar bedeesd en meer gestuwd door de angst buiten de groep te vallen. Het plezier wordt overschaduwd door bleek gepieker, een wikken en wegen dat verhuld moet blijven voor de spottende blik van leeftijdsgenoten. Wanneer er een binnenvaartschip langs vaart, klimmen de kinderen aan dek om er na een aantal tellen weer af te springen. Weer blijft onze jongen als laatste achter. Weifelend staat hij op de rand en ziet het donkere water voorbijtrekken. De tactiliteit die de film tot nu toe wist op te roepen, krijgt een ander karakter, zonder enige directe visuele aanleiding is voelbaar hoe de schroef van het schip griezelig onverbiddelijk door het water snijdt.
Het voelt alsof de sprong bestraft zal moeten worden. Het is de blik van een volwassene die naar kinderen kijkt en dicteert dat de juiste keuze maken betekent om niet in volggedrag te vervallen en naar eigen inzicht te handelen, te durven een ander pad in te slaan wanneer het risico van meelopen te groot is. “En als je vriend van een gebouw zou springen, zou jij dat dan ook doen?”: Het is bij veel ouders een favoriet retorisch strijdmiddel om hun kind na een stommiteit tot rede vatbaar te maken. Maar is er geen heil te vinden in gevaarlijk, onverantwoordelijk gedrag? Is het niet van belang om mee te lopen, te ontdekken wat de wereld en de ander van je wenst en verlangt, en wat er gebeurt wanneer je daar aan toegeeft? Heimelijk wil je gelijk krijgen, wens je dat er iets vreselijk mis loopt met de jongen, uit sensatiezucht, om van de spanning verlost te worden, en misschien ook wel om te rationaliseren wat een goede zaak het is je vroeger zo veel keer besloot om niet van de boot te springen.
Een dreigende gedachtengang op een geslaagde zomerdag, waar bijna niets gebeurt. Aan het eind van de dag is alles nog precies hetzelfde als het was, en dit zal nog zes zalige weken lang zo doorgaan.