Toen ik een onontwikkeld fotorolletje vond in een camera die ik jaren terug kocht op een rommelmarkt, bracht ik het naar een ontwikkelingslab. Enkele dagen later kreeg ik het rolletje terug, met daarop foto’s van een gezinsvakantie. Ik vroeg me af hoe hun levens eruit hadden gezien – het doel van hun reis, de band tussen hen en de plaatsen die ze bezochten. De foto’s van deze onbekenden voelden paradoxaal: ze waren tegelijkertijd erg persoonlijk en erg anoniem. Opvallend is het, hoe de meeste mensen typische composities creëren – poseren voor historische monumenten of voor groepsfoto’s tijdens diners – en zo een visuele stereotypering vormen. Al onze intieme archieven lijken enigszins op elkaar.
Tweedehands herinneringen
Felipe Casanova’s Loveboard
De film spreekt over een tijdperk waarin we relaties steeds vaker in digitale archieven bewaren en hoe dit een grote hoeveelheid clutter met zich meebrengt. Onze persoonlijke beeldarchieven zijn de afgelopen decennia aanzienlijk gegroeid. De beschikbaarheid en kosten van filmmateriaal dwongen mensen te kiezen wat ze wilden archiveren en daarmee ook om het beeld van hun verleden te cureren. In die zin zijn digitale media contra-intuïtief, zelfs tegengesteld aan curatorschap: ze hebben het vermogen om schijnbaar alles te bewaren, inclusief momenten die volkomen onbelangrijk, zelfs banaal lijken en alleen achteraf (als dat al het geval is) waarde krijgen. Tegen het einde van de film biecht een van de mannen op dat hij “de sms-berichten opnieuw heeft gelezen” (vermoedelijk na een ruzie: een scène toont een reeks wanhopige onbeantwoorde oproepen en berichten met de tekst “antwoord me alsjeblieft”). Hij verontschuldigt zich omdat hij zich niet realiseerde dat de ander “het echt moeilijk had” – een nabeschouwing die alleen mogelijk is dankzij de enorme opslagcapaciteit van digitale media.
Hoe meer sporen van ons leven we kunnen bewaren en archiveren, hoe verwoestender we het verlies ervan ervaren, of dat nu door een ongeluk of door veroudering is. Ik herinner me hoe hartverscheurend het was om een harde schijf te verliezen waarop alle foto’s van mijn jeugd stonden, of hoe vrienden me vertelden over hun wanhoop toen ze WhatsApp-archieven kwijtraakten vol overblijfselen van relaties uit het verleden, wat hun definitieve, onherstelbare verlies betekende. Net zoals men vroeger schriftelijke correspondentie door brand of water kon verliezen.
Toch doet zich een paradox voor: als het zo gemakkelijk is om digitale gegevens te vernietigen, waarom zijn de bestanden die de relatie bewaarden dan niet van deze telefoon gewist? Het is een handeling die onmiddellijk en in de meeste gevallen onomkeerbaar is: op een verwijderknop drukken gaat beslist veel sneller dan brieven verscheuren, foto’s verbranden of mensen uit foto’s knippen – maar men kan van gedachten veranderen: brieven en geknipte figuren kan je opnieuw samenplakken, foto’s kan je uit het vuur redden voordat ze volledig zijn verbrand. De kilheid (zo niet regelrechte wreedheid) waarmee we digitale gegevens analyseren, brengt me bij een andere gedachte: waar historici vroeger fysieke herinneringen lazen en analyseerden, zullen onze correspondenties nu steeds vaker ontleed worden door verschillende programma’s en complexe taalmodellen. Zelfs het herinneren, het analyseren van het verleden, zal een digitaal proces worden. Casanova’s film onderlijnt én verzet zich subtiel tegen deze realiteit: zijn gebaar van reconstructie is uiteindelijk diep humanistisch.
Ondanks de telefoonschade blijft de relatie tussen Hugo en Hendrik bewaard in de tijd, als een bidsprinkhaan in barnsteen. Het is wat de Franse filmcriticus André Bazin het mummiecomplex zou hebben genoemd, oneindig vermenigvuldigd door digitale proliferatie: ieder van ons draagt nu stukjes “gebalsemde tijd” met zich mee. Beelden, video’s en geluiden van zoveel dingen die verloren zijn gegaan in de tijd – of het nu gaat om vroegere versies van onszelf, overledenen, of stukgelopen relaties.