Een van de hardnekkigste halve waarheden over film en met name documentaires is dat een voice-over niets anders kan zijn dan autoritair, als de stem van een toornige godheid. In een medium dat ontstond na de dood van God is die altijd misplaatst en niet van deze tijd. In de experimentele film, vol verlangen naar ‘pure cinema’, is taal bovendien vaak zelf verdacht. Vooral in lyrische of abstracte experimenten wordt het woord (zowel gesproken als afgebeeld) vaak gezien als een spelbreker, die de weg naar een volmaakt subliem beeld verspert. De films van John Smith daarentegen ondermijnen zowel dit vooroordeel over voice-overs als de veroordeling van tekst als primaire prikkel.
Op het eerste gezicht bevestigt The Girl Chewing Gum (1975) – Smiths beroemdste film in een oeuvre van vijftig jaar experimentele korte films waarin hij op speelse wijze het dagelijks leven verkent – de bijna rituele afwijzing van de voice-over door het opzichtig autoritaire karakter ervan te ondermijnen met hilarisch ingetogen humor, die doet denken aan de observerende ironie van Monty Python’s Flying Circus (1969-1974). Vanaf het begin vertolkt Smith een goddelijke stem die het filmbeeld lijkt te commanderen. De stem zegt: “Ik wil dat het kleine meisje oversteekt” en zo geschiedde het. Zijn voice-over beschrijft vervolgens de gebeurtenissen terwijl ze zich op het scherm afspelen, alvorens zich over te geven aan vrije verzinsels.
Wanneer deze commentator echter voortdurend wordt geconfronteerd met de alledaagse realiteit van Dalston, een wijk in Oost-Londen, verliest hij zijn houvast. Zodra de pan- en zoomende Arriflex 16 mm-camera zich op de Odeon-bioscoop richt, verwoordt de voice-over details die verder gaan dan de informatie die hij uit louter observatie kan verzamelen. Het is alsof de confrontatie met de bioscoop – waar het avonturenepos The Land That Time Forgot (1974) draait – aanzet tot ongeremde fictionalisering.
Kort na deze fictieve wending onthult de verteller dat hij een paar weken geleden een verkeerde conclusie trok bij een informatiebord met vacatures bij glasleverancier Steele’s aan de overkant van de straat. De woorden die hij voor Grieks aanzag, waren in feite “omgekeerd en achterstevoren Engels”. Nog zo’n voorbeeld van woorden die liegen. Aan het einde van deze bekentenis volgt nog een onthulling: de verteller geeft aan dat hij op dit moment niet naar Steele’s kijkt, maar in een veld staat, zo’n vijftien mijl verwijderd van de plek die in de beelden te zien is. Vervolgens beschrijft hij wat hij daar ziet, terwijl de camera het voetpad voor de glasleverancier blijft observeren. Wanneer het commentaar weer aansluit bij de beelden, beschrijft de voice-over een voorbijganger als iemand die zojuist het plaatselijke postkantoor heeft beroofd. “Het inbraakalarm gaat nog steeds af,” voegt de stem toe, terwijl het alarm dat sinds het begin van de film afging, op dit moment juist niet te horen is. De camera zoomt uit van een rij met voornamelijk kinderen die aanschuiven bij de kassa van Odeon.