De film opent in het donker. De voice-over met een Palestijns accent informeert ons dat we naar een “film” aan het kijken zijn, wat de kunstmatigheid van de beelden benadrukt en tegelijk een verband legt met de realiteit van de Nakba. De stem van de man plaatst ons als kijkers in een verbeelde toekomst, een “waarin Palestina weer vrij is”. Ironisch genoeg bekijken we deze film in 2025, te midden van de voortdurende genocide in Gaza en de etnische zuivering en apartheid op de Westelijke Jordaanoever. In contrast met de harde realiteit van het heden, toont de sciencefictionachtige aanpak van Ours is a Country of Words het verlangen naar een toekomst waarin Palestina is bevrijd en vluchtelingen kunnen terugkeren.
Poppe moedigt kijkers aan na te denken over wat zo’n toekomst zou kunnen bevatten. Het visioen van een bevrijd Palestina belichaamt de hoop van talloze generaties. Hier bewijst cinema een krachtig medium te zijn dat verschillende realiteiten kan overbruggen: het verhaal schommelt tussen alledaagse scènes—diners, studeren—en diepgaande discussies over de terugkeer, vol praktische overwegingen: waar belangrijke papieren en diploma’s bewaren, welke routes nemen, hoe genoeg geld te verzamelen voor de reis en, uiteindelijk, wat te doen bij aankomst.
De titel van de film vat die strijd samen: vechten voor het behoud van taal en verbeelding is een vorm van verzet. Woorden drijven van het rijk van dromen en fictie naar het harde landschap van de werkelijkheid. Het begeleidende beeldmateriaal contrasteert sterk met deze introspectie en herinnert aan het tijdelijke bestaan van de inwoners, die altijd bereid zijn om te vertrekken.
Maar als het recht op terugkeer werkelijkheid wordt, wie heeft dan de wil en de mogelijkheid om dat ook echt te doen? Poppe brengt de ervaringen in beeld van wie ervoor kiest om in de kampen te blijven, uit verlangen of uit noodzaak. Wanneer jongere generaties Palestijnen, opgegroeid in vluchtelingenkampen, dromen van hun thuisland, vullen levendige beelden van een pittoresk dorp en landbouwgrond hun geest. Ze stellen het zich voor als bevroren in de tijd, zoals het was in de tijd van hun grootouders voor ze van het land werden verdreven. Ze stellen zich een toekomst voor die lijkt op een terugkeer naar het verleden.
De alledaagse uitwisselingen tussen de personages over hun terugkeer zijn verstoken van opwinding of angst, maar wel doordrenkt van vastberadenheid en soms zelfs ironie. Hun wil om terug te keren is onlosmakelijk verbonden met het idee dat hun bestaan in het kamp altijd bedoeld was om tijdelijk te zijn. Dat voorlopige verblijf heeft zich in de loop der tijd uitgerekt, waardoor nieuwe generaties zijn ontstaan die niets anders hebben gekend dan het kamp waar ze zijn geboren en opgegroeid. Hun materiële omstandigheden—instabiele huisvesting, onzeker werk en een gebrek aan gezondheidszorg—doen hen protesteren. Demonstranten willen geen hulp om hun leven te verbeteren maar eisen wel de middelen om hun strijd voort te zetten richting de bevrijding van hun vaderland.
Met poëtisch evenwicht vangt Poppe de complexiteit van ontheemding, veerkracht en hoop. Het nodigt kijkers uit om na te denken over het blijvende karakter van de Palestijnse strijd en de hardnekkige droom van terugkeer, wat er ook gebeurt.