Er lijkt niet veel te gebeuren in Le film de l’été. Een man, Philippe, spreekt af met zijn vriend, Aurélien en diens 9-jarige zoontje Balthazar. Ze reizen rond, praten over banaliteiten, alles zonder ogenschijnlijk doel. Vervolgens nemen ze afscheid. Desondanks het versnipperd narratief voelt de film toch rijk, bomvol getuigenissen van een leven en momentane uitbarstingen van vrijheid in een wereld waarin toch voornamelijk de druk van de 21e eeuw domineert.
De grotendeels geïmproviseerde film stelt het typisch Westerse (vaak middenklasse) beeld van zomervakantie in vraag: de idyllische locatie, de goddelijke maaltijden in dure kustrestaurants, de alles bepalende vakantieliefdes. Al deze momenten van zogezegd belang zijn hier volledig afwezig. Le film de l’été schept een wereld van beton en snelwegrestaurants, van fastfood en slecht geplande tussenstops, van haastige gesprekken die over niets lijken te gaan. Dat alles vastgelegd in een zomerlicht dat zowel scherp en brandend, als warm en zalvend aanvoelt.
Naast de focus op toon en sfeer, ondergaat Philippe ook een zekere ontwikkeling – een die eventueel als een ironische opmerking over de kunstvorm zelf gelezen kan worden. Phillippe getuigt zich in de openingsscènes ontevreden over het leven, en onderneemt een zelfmoordpoging. De scène is kort maar duidelijk genoeg, waardoor er geen twijfel bestaat over wat zich op beeld afspeelt. In veel films zou dit moment een kantelpunt zijn, iets om op te focussen en uit te diepen. Hier echter, is het moment even belangrijk als het eten van een watermeloen of een discussie over het kussen van meisjes. Philippe is grotendeels een afstandelijke observator. Net door de zogezegde saaie momenten raakt hij stilaan (terug) meer betrokken in het leven. Hierin schuilt een ironie, een herinnering aan hoe kunst en cultuur tegen ons kunnen liegen. We worden opgevoed met het idee dat het door de mainstreamcultuur geschetste beeld de norm vormt. Wanneer we niet slagen een bepaalde standaard te behalen, zijn we gefaald. Wanneer we onze liefde niet van de daken schreeuwen, wanneer we geen grootse gebaren van heldhaftig- of domheid meemaken, laten we het leven aan ons voorbijgaan. Le film de l’été herinnert aan het feit dat een leven leiden vooral in alledaagse momenten zit. Dat velen van ons zo door het leven gaan. Deze momenten, zoals ook Philippe ontdekt wanneer zijn relatie met Balthazar versterkt, zijn waardevol net door hun waardeloosheid.
Doorheen de filmgeschiedenis zorgt kortfilm voor een nieuwe kijk op de klassieke dramatische stijlfiguren. Het medium bekijkt bepaalde archetypes door een lens die paradoxaal genoeg zowel alledaags als intens is. Incident By a Bank van Ruben Östlund, bekroond met een Gouden Beer, neemt het waargebeurde verhaal van een mislukte bankoverval en filtert het, in één take, door alledaagse minutiae. Er worden fouten gemaakt, voor de hand liggende zaken genegeerd. De film speelt met de spanning tussen abnormaal en doordeweeks, en behandelt beide als even interessant. Veel korte films kunnen ook herleid worden tot een interactie tussen twee mensen, zoals bijvoorbeeld het met een Gouden Palm bekroonde Griekse The Distance Between Us And The Sky (2019) van Vasilis Kekatos. De subtiliteiten en het ingetogen geflirt tussen de twee jongens maken de film groots, geven hem enorme diepgang. Opnieuw wordt het eenvoudige verheven tot iets wonderbaarlijks complex.
Uiteraard weet ook de langspeelfilm dit soort minimalisme uit te spelen. Films zoals Old Joy (2006) van Kelly Reichardt en anderen op het spectrum dat reikt van mumblecore tot Brits sociaal realisme, tonen elk het leven door een realistische, doorsnee lens. Toch durven zulke langspeelfilms als slepend aan te voelen, alsof ze op ieder moment in melodrama kunnen uitbarsten. Kortfilm lijkt beter geschikt om de ‘kleine aardbevingen’ van het leven te onderzoeken.