Door die vrije ‘vertaling’, neemt Li voor anderstalige toeschouwers expliciet alle lagen van de vertelling in. Waar dit een vorm van afstandelijkheid teweeg zou kunnen brengen, zorgt de zelfbewuste, humoristische toon van Li net voor nabijheid. Ze relativeert narratieve autoriteit door die te combineren met een quirky mise-en-scène, stilistisch verwant aan Noah Baumbachs Frances Ha (2012).
Zo ontstaat er een even stuntelige als charmante interactie tussen Li en een familielid tijdens een bezoek aan Tian’anmen, de toegangspoort tot De Verboden Stad. Tussen alle toeristen door proberen zij een foto als souvenir te maken. Li wordt van de ene hoek van het frame naar de andere gestuurd, staat veraf om dan toch steeds wat dichterbij te komen. De scène vormt een mooie bespiegeling op het thuiskomen: waar moet men exact staan om zowel in het plaatje op te gaan als zich ervan te onderscheiden?
Door haar film in dagen op te delen en op snel tempo van setting te wisselen (we reizen van een huiskamer van de grootmoeder, naar het besneeuwde dakterras van een vriend, en een koffiezaak vergezeld door een vriendin) poogt Li vat te krijgen op de grilligheid van haar gemis. Dat resoneert op een poëtische manier met de statische kaders die veel ruimte om de personages heen open laten: de onderste helft is bevolkt, de bovenste helft blijft, op Li’s boventiteling na, zo goed als leeg.
Door ondertussen al geruime tijd in het buitenland te wonen, ervaart de filmmaker dat ze een deel van zichzelf aan het verliezen is. In de terugkeer naar huis ziet Li dan ook een toenadering naar zichzelf, al moet dat proces niet al te romantisch opgevat worden. Zo wordt het thuisland in meer recentere diasporische narratieven, volgens Anh Hua, niet meer zo snel eerder nostalgisch bekeken als “een ‘authentieke’ ruimte om bij te horen”. Terwijl Li de collage aan haar slaapkamermuur aanvult met een spottende illustratie van Mao Zedong met kinderlijke paardenstaartjes, hoort ze haar vader Hong Kong vergelijken met een “kind dat zijn biologische moeder is vergeten nadat het bij zijn rijke stiefmoeder heeft gewoond”. Datzelfde gevoel doemt ook op in de boventiteling tijdens een gesprek met een gelijkgestemde vriend: “Brent and I agree that when we are not in Beijing, we miss it a lot, but if we stay here longer, we go crazy.”
Li legt kloven bloot tussen haar en haar geliefden, niet om ze te dichten, maar om te weten waar voor haar het bewandelbare gebied ligt. Voor Li is thuis, op verstoorde verwachtingen en enkele ongemakkelijke vragen na, de plek waar de wedren van het leven achtergrondlawaai wordt. Want: “At home, I can just really be a loser, and I know that it is a place where I will be okay. They don’t expect me to sit straight or talk smart. I can just be whatever.”
Thuis is zo idealiter de plek waar we (ons) schaamteloos kunnen verliezen zonder ons te moeten laven aan anonimiteit. Het is de plek waarnaar de trajecten heen en terug, hoe vaak die zich ook herhalen, nooit even lang zullen aanvoelen — ongeacht de hoeveelheid ongestelde vragen en ambigue antwoorden die we op zak hebben.