Santiago Álvarez (1919-1998) maakte popart – agitpopart, om precies te zijn. Zijn films zijn als posters: luidruchtig, opwindend, spannend of verontrustend, maar bovenal: duidelijk. Met Álvarez vond de Cubaanse revolutie een filmmaker die haar politieke potentieel en erotiek filmische geloofwaardigheid gaf – een communisme dat zo delicaat kon zijn als Hanoi, martes 13 (1967) of zo aangrijpend en krachtig als Now! (1965); zo bijtend ironisch als L.B.J. (1968) en zo brandend van hoop als El tigre saltó y mató pero morirá ... morirá ...!! (1973), een eerbetoon aan folkzanger Victor Jara, vermoord door de Chileense junta.
Álvarez’s filmkunst werd geïnspireerd door Dziga Vertov en de interventionistische collagekunst van John Heartfield. In tegenstelling tot de ‘direct cinema’, die in de jaren zestig het dominante discours voerde over documentairefilm in de ‘eerste wereld’, geloofde Álvarez niet in een ‘objectieve’ cinema die sociale context schijnbaar onpartijdig weergeeft. Hij wou een nieuwe, hopelijk betere wereld bouwen — zijn films bestaan uit zijn idealen, overtuigingen en verlangens. Die komen tot leven in de montage, zowel in geïsoleerde en geladen momenten als in de botsing van tegenstellingen. Zo ontstaat er een stroom, een ritme, een flow — het is geen toeval dat muziek zo’n centrale rol speelt in het werk van Álvarez, als stilistisch element en als onderwerp op zich. (Austrian Filmmuseum, vrij vertaald)