De titulaire oom uit Olga Lucovnicova’s film Nanu Tudor is vaak onscherp of zit verscholen achter doorschijnende stof. Vanop een afstand slaat Lucovnicova hem stilzwijgend gade. Waar persoonlijke documentaires die vage beeldvoering vaak inzetten als middel om familieleden te beschermen tegen de indringende blik van de camera, duidt de distantiëring hier op het tegenovergestelde: ze beschermt zichzelf tegen haar onderwerp.
Ritmes van stilte
Olga Lucovnicova’s Nanu Tudor (2020)
Er is geen bewijs te vinden in de stoffige hoekjes van het huis, en inderdaad: oom Tudor ontkent zijn misbruik niet ronduit, maar bagatelliseert het. In plaats van te bewijzen wat er is gebeurd, getuigen de beelden in deze film van wat begraven ligt.
We zijn geen directe getuige van de confrontatie. In plaats daarvan is hun elliptische gesprek over interieurs van het huis gestrooid. Lucovnicova’s handcamera glijdt over decennia aan opgestapelde rommel en prullaria, volgt scheuren in de muur en spinnen die hun web bouwen in de hoeken van de kamers. Ondertussen vertellen zij en haar oom over wat twintig jaar eerder gebeurde. Die splitsing tussen de visuele symbolen van huiselijke alledaagsheid en het trauma dat de voice-over aan het licht brengt, levert een verwrongen beeld op van vertrouwdheid die zich omzet naar gevaar. Dat beeld sluit ook aan bij de statistieken waar de film op eindigt: “90% van de slachtoffers [van kindermishandeling] kent de dader.”
Er is geen bewijs te vinden in de stoffige hoekjes van het huis, en inderdaad: oom Tudor ontkent zijn misbruik niet ronduit, maar bagatelliseert het. In plaats van te bewijzen wat er is gebeurd, getuigen de beelden in deze film van wat begraven ligt. Daarbij treden de stiltes die Lucovnicova’s verleden verhullen, op de voorgrond. Haar camera zweeft als een spookachtige aanwezigheid door de kamers en komt af en toe tot stilstand om haar blik te laten rusten op een familielid dat slaapt of bidt. Ze gluurt naar hen vanachter deurposten en gordijnen, bijna als een kind dat op zoek is naar een vertrouweling maar aarzelt om dichterbij te komen. Soms filmt ze haar familie frontaal, met gezichten in schokkend scherpe close-ups, om ze vervolgens te vervormen tot onscherpe, zelfs ondoorgrondelijke oppervlakken. In deze beelden is geen afsluiting of catharsis te vinden.
Sterke documentaires slagen er soms in om ongemak ongemeen goed in beeld te brengen. Films als The Act of Killing (2012) onderzoeken de ongemakkelijke dynamiek tussen slachtoffer en dader, waarbij de performatieve aard van het filmmaken nieuwe waarheden kan onthullen. Ook bij Lucovnicova knarst het tussen de twee partijen, maar zij weigert tegelijk haar trauma te herleiden tot een spektakel van confrontatie. Want wie weet is de camera bedrieglijk en het familiearchief niet te vertrouwen. Dan komen haar eigen kijk en haar eigen stem precies meer tot uiting door sommige zaken niet te tonen. Ze doorbreekt zo niet simpelweg de stilte, maar verweeft de ritmes ervan tot een tapijt van afwezigheid en afwijzen.