Sommige Latijns-Amerikaanse steden lijken liminale plekken. Het zijn onnatuurlijke verzamelingen van bouwwerken waar tijdperken samenvallen en geesten doelloos ronddolen. In deze context is er geen ruimte voor de rijkdom van de natuur. Meer nog, ze wordt bewust aan de kant geschoven onder het mom van vooruitgang. Toch verschijnt er af en toe een groene barst in de zee van moderniteit. Een herinnering voor iedereen dat de grond die ze bewandelen nooit onbezet was.
Wanneer het spookt in die mysterieuze metropolen legt men snel de link met koloniale grootmachten, hun gewelddadige ontruiming van inheemse volken en kapitalistische ontwikkelingsideaal. Deze Westerse ratio gaat radicaal in tegen de originele inwoners en hun eigen visie op de kosmos. Een denkkader dat eerder in lijn ligt met de elliptische eb en vloed van de natuur. Zelfs wie de Westerse “moderne manier van denken” aanvaardt en de regels van het kapitalistische spel volgt, wordt vroeg of laat geconfronteerd met marginalisatie. Dit alles als logisch gevolg van een meedogenloze arbeidscyclus.