Jean Genet (1910–1986) werd geboren in Parijs. Door zijn moeder in de steek gelaten, groeide hij op in staatsinstellingen en werd op tienjarige leeftijd voor het eerst veroordeeld voor een misdrijf. Nadat hij een groot deel van zijn tienerjaren doorbracht in een heropvoedingsinstelling, meldde Genet zich aan bij het vreemdelingenlegioen. Later deserteerde hij en begon een leven van diefstal en pooierij, wat uiteindelijk resulteerde in een levenslange gevangenisstraf. Daar begon Genet te schrijven – gedichten en proza die in een buitengewoon barokke, hoogstaande literaire stijl pornografie en een openlijke verheerlijking van criminaliteit comineerden. Zijn werk werd geprezen door literaire grootheden als Jean Cocteau, Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir, wier pleidooi hem in 1948 een presidentieel pardon opleverde. Tussen 1944 en 1948 schreef Genet vier romans, waaronder Querelle de Brest, en zijn schandalige memoires Journal d’un voleur. In de jaren vijftig wijdde hij zich volledig aan het theater. Na een stilte van ongeveer twintig jaar begon Genet in 1983 aan zijn laatste boek, Un captif amoureux. Hij voltooide het vlak voor zijn dood.